“Een brief zegt u? Nee hoor, ik heb nooit een brief ontvangen!”

“Een brief zegt u? Nee hoor, ik heb nooit een brief ontvangen!”

Hoe bewijs je dat je een brief hebt gestuurd aan iemand en dat diegene die brief ook heeft ontvangen? In deze bijdrage wordt een uitspraak besproken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin dit speelde.

De wet bepaalt dat een tot een persoon gerichte verklaring, om werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Dit heet ook wel de ‘ontvangsttheorie’.

Wanneer de ontvanger betwist een per gewone post verzonden brief te hebben ontvangen, rust op de verzender de bewijslast om aan te tonen dat dit wel zo is. Hij zal volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten aantonen dat hij de brief heeft verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt èn dat de verklaring daar ook is aangekomen.

Maar hoe kan dit bewijs nu in de praktijk worden geleverd? Dit kan soms best ingewikkeld zijn, zo blijkt uit een uitspraak die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in augustus 2019 heeft gedaan.


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019

De auto van X, die ik hierna “Jansen” zal noemen, is in de nacht van 31 december 2016 op 1 januari 2017 uitgebrand. Een paar weken voor de brand had Jansen de auto bij Achmea verzekerd tegen brandschade. Die schade heeft Jansen in de nacht van de brand telefonisch gemeld. Jansen is toen door Achmea meegedeeld dat de verzekering door een premieachterstand geen dekking bood. Hierover zou Achmea Jansen eerder twee brieven hebben gestuurd (per gewone post, niet aangetekend).

Jansen was het er niet mee eens dat zijn verzekering geen dekking bood en startte een procedure. Hij vorderde van Achmea dat deze zijn schade alsnog zou vergoeden. Hij stelde dat hij niet wist van de premieachterstand en hij ontkende dat hij de brieven had ontvangen en hij betwistte dat Achmea de brieven had verstuurd.

De rechtbank droeg Achmea op om te bewijzen dat de twee brieven waren verzonden en op het adres van Jansen waren aangekomen. Hierin slaagde Achmea, zo oordeelde de rechtbank. Jansen is tegen dit oordeel in hoger beroep gegaan.


Hoe luidde het oordeel van het gerechtshof?

Het gerechtshof stelt voorop dat voor het bewijs in zaken als deze niet noodzakelijk is dat het te bewijzen feit onomstotelijk komt vast te staan. Wanneer er een redelijke mate van zekerheid is, is dit voldoende. Vervolgens behandelt het gerechtshof het door Achmea geleverde bewijs. Het ging hier om twee getuigen.

Getuige 1 is een functioneel beheerder die bij Achmea logistieke stromen op het gebied van printen, mailen, archiveren en dergelijke controleert. Zijn conclusie luidt dat de brieven na een interne routing zijn aangeboden aan Canon, dat zorgt voor het printen en verzendklaar maken en ter post aanbieden van de brieven van Achmea, waarna de brieven vervolgens zijn aangeboden aan PostNL.

Getuige 2 is werkzaam bij PostNL. Vanuit zijn functie kan hij verklaren dat de brieven als niet-geregistreerde post zijn aan te merken. Daarvan is niet met honderd procent zekerheid te bewijzen dat ze bezorgd zijn. Echter, op de brieven staat een normaal adres (de woonboot waar Jansen met anderen op woont). Daar was een brievenbus aanwezig die normaal te gebruiken is. In de periode waar het hier om gaat, waren er geen bezorgklachten over dit adres of de nabije omgeving. Ook was toentertijd geen sprake van disfunctionerend personeel bij PostNL. Het adres stond evenmin bekend als problematisch. Postbezorgers hebben getuige 2 verzekerd, dat er regelmatig post wordt bezorgd.

Het gerechtshof concludeert dat allebei de verklaringen betrouwbaar zijn. Volgens het gerechtshof is dan ook aannemelijk dat de brieven zijn aangeboden aan PostNL en dat deze door PostNL zijn bezorgd. Verder acht het gerechtshof het ongeloofwaardig dat twee brieven binnen PostNL zoek zouden zijn geraakt. Dit brengt met zich mee dat Jansen ook in hoger beroep achter het net vist.


Conclusie:

Achmea wordt in deze zaak ook in hoger beroep in het gelijk gesteld. Het bewijs dat de brieven in kwestie zijn verzonden en ook zijn aangekomen bij Jansen, wordt - nadat hier diverse getuigen over zijn gehoord - geacht te zijn geleverd.

Om bewijsrechtelijke complicaties als deze in een eventuele procedure bij de rechter te voorkomen, is het raadzaam om echt belangrijke, juridische brieven, zoals bijvoorbeeld een ‘ingebrekestelling’ of een opzegging van een overeenkomst, zowel per aangetekende post als per gewone post als per e-mail te versturen. Je weet immers maar nooit…

Gerelateerde artikelen